|
|
|
 |
| Een
berekening voor de hoogte van een lijfrente
is behoorlijk complex en afhankelijk van
een aantal factoren. De rentestand kan
behoorlijk grillig zijn, het kan dus voorkomen
dat u vandaag een offerte aanvraagd en
dat u morgen voor hetzelfde kapitaal een
hogere of lagere lijfrente ontvangt. De
offerte welke eenmaal aan u is verstrekt
kent in de regel een geldigheidstermijn
van 14 dagen. Onderstaand vind u een schematisch
overzicht van al de factoren.
|
|
|
|
|
 |
| De uitkering
van lijfrentetermijnen stopt zodra de
verzekerde overlijdt. Om te voorkomen
dat de nabestaande daardoor fors in inkomen
achteruitgaat gaat, wordt een lijfrente
bij partners meestal op twee levens gesloten.
In dat geval stopt de uitkering pas wanneer
beiden overleden zijn. Hieronder vind
u een aantal gangbare vormen:
- 70
% overgang op de langstlevende partner.
Wanneer
één van beide partners
overlijdt dan zal de lijfrentetermijn
verlaagd worden tot 70 % van de oorspronkelijke
lijfrente uitkering voor de overgebleven
partner.
- 70
% overgang op de tweede verzekerde.
Wanneer
verzekerde 1 overlijdt dan zal de
lijfrentetermijn verlaagd worden tot
70 % van de oorspronkelijke uitkering.
Wanneer verzekerde 2 eerder overlijdt
dan zal dit geen gevolgen voor de
lijfrente uitkering hebben. Deze blijft
dus 100 %.
- 100
% overgang op langstlevende partner.
Overlijden
van een van de verzekerden zal niet
leiden tot een verlaging van de lijfrente
uitkering.
- 0
tot 100 % overgang op de tweede verzekerde
U
kunt ook zelf een overgangspercentage
kiezen, wanneer u zelf bijvoorbeeld
een goede nabestaandenvoorziening
heeft opgebouwd dan kan een overgangspercentage
van 50 % voldoende zijn voor uw partner.
Wanneer
beide verzekerden tijdens de looptijd
van het lijfrentecontract zijn overleden
dan vervalt het overgebleven lijfrentekapitaal
aan de betrokken verzekeringsmaatschappij.
Wanneer u dit onwenselijk acht, dan kunt
u een contraverzekering
afsluiten. Met deze constructie ontvangen
uw beoogde nabestaanden het overgebleven
kapitaal na het overleiden van beide verzekerden. |
|
|
|
 |
 |
| De hoogte
van de traditionele lijfrente wordt vastgesteld
aan de hand van de marktrente welke geldt
op het moment dat de lijfrente-uitkeringen
starten. Hoewel deze rente de laatste
maanden weer wat oploopt is deze nog steeds
relatief laag. Verzekeraars hebben om
deze reden een nieuw product gelanceerd,
welke de lijfrente-uitkering niet baseert
op basis van de marktrente maar op basis
van beleggingen, de zogenoemde beleggingslijfrente.
U ontvangt dan, in tegenstelling tot een
traditionele lijfrenteverzekering, geen
vaststaand bedrag per maand, maar u ontvangt
de opbrengst uit de verkoop van een bepaald
aantal units van een beleggingsfonds.
In
de huidige beleggingsmarkt en gezien de
veelal lange looptijd van een lijfrentecontract
is een beleggingslijfrente veelal hoger.
Uiteraard hangt de keuze geheel van uw
persoonlijke voorkeur af, want vanzelfsprekend
bieden beleggingsresultaten welke behaalt
zijn in het verleden geen garantie voor
toekomstige rendementen. Zie de Code
Rendement en Risico voor meer informatie.
Op de pagina Garantie
of beleggen vind u een uitgebreide
uitleg over de voor en nadelen van de
beleggingslijfrente. |
|
|
|
|
 |
| De hoogte
van de lijfrente-uitkering wordt bepaald
door uw leeftijd en uw geslacht. de lijfrente-uitkering
is namelijk afhankelijk van het in leven
zijn van u en/of uw partner. Bij overlijden
stopt de uitkering en vervalt het nog
niet uitgekeerde kapitaal aan de verzekeringsmaatschappij. Het zal
u niet verbazen dat hoe ouder u bent,
des te groter de kans is dat u komt te
overlijden.
Doordat
de verzekeraar gebruik maakt van zogenoemde
sterftetafels (voor mannen en vrouwen),
kan deze een inschatting maken van de gemiddeld te verwachten levensduur. Uw grotere mate van sterfelijkheid
zal door de verzekeraar derhalve beloond
worden door een hogere uitkering. Mannen
kennen doorgaans een kortere levensduur
dan vrouwen (al zien we de sterftekansen
van mannen en vrouwen elkaar wel meer
en meer benaderen), en ontvangen daarom
een hogere uitkering. |
|
|
|
|
 |
| De verhouding
tussen de leeftijd(en) van de verzekerde(n)
en de gekozen looptijd bij een tijdelijke
lijfrente dient volgens de fiscale regelgeving
een minimale sterftekans op te leveren
van 1%. Wanneer u bijvoorbeeld een tijdelijke
lijfrente wilt afsluiten van 2 jaar dan
is de kans groot dat u niet voldoet aan
deze eis. Wanneer u een lijfrentecontract
afsluit welke niet voldoet aan deze 1
% sterftekans dan loopt u het risico dat
de Fiscus het contract als een "oneigenlijke"
lijfrenteverzekering zal beschouwen. Gevolg
hiervan is dat de het expiratiekapitaal
belast zal worden alsof er helemaal geen
lijfrente is aangekocht. |
|
|
|
 |
 |
| Als
u eenmaal besloten heeft welke looptijd
het best bij u past, is de volgende vraag
hoe hoog deze uitkeringen zullen zijn.
Wanneer u bijvoorbeeld kiest voor een
looptijd van 5 jaar dan zal de jaarlijkse
uitkering vanzelfsprekend hoger zijn dan
wanneer u kiest voor een looptijd van
10 jaar. |
|
|